Het duivelspact
Bekeken: 1342 06-03-2007
Geschreven door Tim Nijhof
Het nieuwe tennisjaar is al een tijdje onderweg en eigenlijk vraagt iedereen zich maar één ding af: zou hij het dit jaar doen? Wint hij alle vier de Grand Slams? Je kunt hem negeren. Theoretisch gezien is dat mogelijk. Je kunt zijn recordreeks onbesproken laten. Geen haan die er naar kraait.
Mensen die dat doen dienen zich dan wel te beseffen dat ze hem ontzettend tekort doen. Er is er immers geen zoals hij. Bij hem begint en eindigt het tennis. Iedere keer wanneer je weet dat hij gaat spelen, denk je dat je de verbazing voorbij bent. Zo van: ik ken zijn kunstje nu wel, hij wint toch.
Je gaapt nog net niet. Dan zie je hem. Je staat op het punt om de trekker van de afstandsbediening over te halen en door te schakelen naar een ander kanaal, maar iets houdt je tegen. Het is zijn verschijning. Zijn grootsheid ploft als een mokerslag in je gezicht. Gebiologeerd staar je naar zijn bewegingen.
Je beweegt mee. Met zijn voetenwerk en zijn slagen. Je probeert het te begrijpen, maar het lukt niet. Je kijkt met een mengeling van bewondering en jaloezie. Dit alles uit zich in een frase die onophoudelijk op je hersens inbeukt: hoe kan iemand in hemelsnaam zo goed zijn?
Hijzelf lijkt dat allemaal niet te beseffen.
De tennistsaar is onbekend met de geestelijke ravage die hij aanricht. Dat is het erge. Hij is gewoon. En die zin kun je op twee manieren uitspreken. ‘Hij is gewoon’ en ‘Hij is gewoon’. Hij is ook zo, ja, gewoon. Normaal. Bescheiden. Hij weet dat hij briljant is, maar daar doet hij verder niet ingewikkeld over.
Losjes, eerder. Je verdenkt hem ervan dat hij dagelijks fluitend met een broodtrommeltje gevuld met vier zelfgesmeerde bammetjes (twee met kaas, twee met jam) op de tennisbaan verschijnt. De kneuterige virtuoos, zoiets.... Tegelijkertijd is niets aan hem alledaags. Hij wint al zijn wedstrijden met zoveel gemak, dat je vermoedt dat hij ervoor gestudeerd heeft. Bestaat er een studie winnen, vraag je je koortsachtig af?
Het is echter vooral die blik in zijn ogen die tegenstanders tot waanzin drijft. Nadat er een onnavolgbare komeet van zijn racket vliegt, drukken zijn ogen namelijk iets uit als ‘het is weer niet om aan te zien vandaag’. Hij kan dus nog beter, vindt hijzelf. Het is een angstaanjagende gedachte, die maakt dat hij zich op een niveau bevindt dat de boterhammen met kaas en de boerennuchterheid, die hij ook in zich draagt, ver overstijgt.
Het grappige is: je hoeft zijn naam niet eens uit te spreken en toch weet iedereen over wie het gaat. 26 jaar is hij. Uit het niets dook hij op en hij regeert de tenniswereld nu al jaren. Niemand voor hem, in welke sporttak dan ook, domineerde zoals hij dat doet. Hij duldt geen stervende ziel in zijn buurt.
Toch is hij aardig, vriendelijk. Zijn breedbekkikkerachtige lach is, als hij geen wedstrijden speelt tenminste, zijn handelsmerk. Geamuseerd kijkt hij naar de wereld om hem heen. Heeft hij een pact gesloten met de duivel en is hij daarom zo zelfverzekerd? Voorspelling: de beschermeling van Beëlzebub zal gaan zoals hij is gekomen. Geruisloos, zonder opsmuk en winnend in de kenmerkende grandioze stijl.
Als hij zijn laatste bal heeft geslagen, klinkt er een bliksemflits. Op de plaats waar hij stond ligt een hoopje as.
De wereld is perplex, de diabolische tennisser is weg. Je ruikt de zwavel door het televisiescherm heen....

